Het praktijkkader voor duurzame innovatie is een denkraam voor interventies.

Hierin is het principe dat individuen en groepen elkaar zowel in de bovenstroom (gedrag, structuur, processen) als onderstroom (drijfveren, beleving, cultuur) continue beïnvloeden.

Het praktijkkader is door Ruysdael ontwikkeld om de harde en de zachte aspecten van een project, verandering of innovatie met elkaar combineren en op elkaar afstemmen.

Achtergrond

Het kader is ontstaan door praktijkervaringen te combineren met twee systeemtheorieën:

  • Het integrale systeemmodel van de Amerikaanse filosoof Ken Wilber (1997) is opgebouwd rond vier aspecten: het individuele, het collectieve, het externe en het interne. Met andere woorden: elk persoon en elk collectief heeft een (onzichtbare) ‘binnenkant’ en een (zichtbare) ‘buitenkant’. Deze aspecten zijn in elk (sociaal) systeem aanwezig.
  • De definitie van logische categorieën voor leren en communicatie (1972) uit het werk van Gregory Bateson, die later door Robert Dilts uitgewerkt is tot de logical levels in NLP. Hierin stelt Bateson dat naarmate we op een dieper systeemniveau leren en communiceren, we ook op een dieper niveau (kunnen) veranderen. Bij oppervlakteleren ervaren we weinig opties en is onze perceptie beperkter dan op de diepere niveaus. Op diepere niveau zijn we in staat om alternatieven en het grotere geheel te zien en te veranderen.